Het kleinste uiltje van ons land - komt het gehele jaar voor. Het is een vrij schaarse broedvogel, die broedt in oude bomen, (knotwilgen, hoogstam fruitbomen) schuurtjes en gebouwen. De voorkeursbiotoop van de Steenuil is een kleinschalig enigszins vochtig graslandschap met houtwallen, knotwilgen en oude hoogstambomen en verspreid staande boerderijen met erfbeplanting. Vanaf februari tot in juni kan men hem horen roepen, vanaf zonsondergang tot middernacht
De ransuil broedt in landschap met afwisselend bos en open ruimte, vaak in oude ekster of kraaienesten en soms in takkenhopen of op de grond. Soms broeden ze in kolonies. Vanaf half maart is de baltsroep te horen, na zonsondergang tot diep in de nacht. Rondvliegende ransuilen laten soms het geluid horen als van de Meerkoet en 's nachts kun je vaak snavelknappende vogels horen. Broedende ransuilen kunnen zeer agressief worden en aanvallen. Jonge vogels, maar ook de vogels van de noordoostelijke populaties trekken in de winter over grote afstanden. Overdag kun je ze in de winter rustend vinden in dicht geboomte, vaak met tientallen bij elkaar. In vlucht lijkt hij op een velduil.
Komt voor zowel in polderland als in bosgebieden, maar geeft de voorkeur aan boomrijke landschappen. Broedt vanaf Maart in holle bomen en nestkasten, maar ook in oude kraaie- en eksternesten en in schuren, soms ook op de grond. Deze uil komt ook voor in dorpen en steden. Er is een grijze vorm en een bruine vorm. Echte nachtuil die te horen is vanaf een uur na zonsondergang tot diep in de nacht. Soms overdag te zien, zittend in boom en dicht tegen boomstam aangedrukt.
Hij broedt vanaf Maart tot September, vaak wel twee keer per jaar, in boerderijen, schuren, gebouwen, maar ook in holle bomen, in voornamelijk kleinschalige landschappen. De vogels kan men 's nachts horen roepen. De jongen zwerven het eerste jaar. De kerkuil is niet goed bestand tegen strenge winters.
Broedt in ruige terreinen en open terreinen met lage begroeiing, nestelt vaak op de grond. Is actiever bij daglicht dan andere uilen en daardoor vaker te zien, maar het beste te ontdekken 's morgens vroeg of tegen de avondschemering. Noordoostelijke populaties trekken in september tot november naar het zuiden en keren in april-mei terug.