Hier ben je:  

Van een natuurgodsdienst naar Christendom

De inwoners van Oosterwijtwerd waren een mengeling van Germanen, Friezen, Franken, Saksen, Scandinaviers, Juten, Kelten. Ze hadden hun eigen godinnen en goden.

Met de komst van zendelingen als Liudger werd de bevolking al dan niet zachtzinnig gedwongen zich tot het Christendom te bekeren.

Op de "Heilige plek", de plaats van de tempel werd een kerkje gebouwd. In eerste instantie was dit een houten gebouw, pas veel later werd dit vervangen door een bakstenen éénbeukige kerk.

Het Johannieter klooster

In Oosterwijtwerd werd een Johannieter Klooster gesticht.

Vermoedelijk is dit convent onstaan als voorwerk van de commanderij Dünebroek in Reiderland, maar er is zeer weinig over de stichting en de geschiedenis van het klooster terug te vinden. Slechts uit twee oorkonden blijkt nu nog dat Oosterwijtwerd ooit een zelfstandige "commanderij" was.

In 1476 werden de goederen overgenomen door het Johannieter klooster Oosterwierum vanwege de bedroevende financiële situatie van de commanderij Oosterwijtwerd. Je kunt dit terugvinden in de Inventaris van archieven van kloosters in de provincie Groningen: Akte van incorporatie door de balijer van Westfalen van Oosterwijtwerd, voorwerk van Dunebroek, bij Oosterwierum.

Johannieters

De vijfde kruistocht (1217-1221) werd door vele Groningers meegemaakt.

Op deze expedities leerden zij de militaire en verpleegkundige inzet van de ridderorden waarderen, wat uitmondde in een groot aantal schenkingen van goederen in hun vaderland. Op deze goederen werden dan weer kloosters gesticht. De johannieter orde was wel de belangrijkste begunstigde. Zij beschikte aan het eind van de dertiende eeuw over niet minder dan 20 dochterhuizen die op één na alle in de Ommelanden, Oostfriesland en het Friese gebied ten oosten daarvan gelegen waren.

De Zwarte Dood, die in de jaren 1348-1350 in heel Europa woekerde, maakte ook in de kloosters talloos veel slachtoffers.
Voor de meeste instellingen was de periode 1350-1400 een periode van wanbeheer, bezitsvervreemding en terugloop van bevolking.

Toen Groningen in 1594 viel, was het niet veel later ook voor de intussen door oorlogsgeweld sterk aangetaste Ommelandse kloosters gedaan.
De gewesten Friesland en Groningen volgden de politiek van overname van de kloostergoederen na toekenning van pensioenen aan de voormalige kloosterbewoners. De landerijen werden gemeten en opnieuw aan de pachters verhuurd.